Op goed geluk
Soms is het beter om maar niet door je camera te kijken als je fotografeert. De aangeleerde maniertjes om iets in beeld te brengen vervallen dan; een neutrale machine doet het werk. Niet altijd tot volle tevredenheid, maar dat wist je van te voren. Als alles wel klopt, was het geluk met je die dag. Had het leven zin.
Een latere bekijker zal het niet opvallen, jij bent de enige met dit verschrikkelijke geheim. Slordig werken met prima resultaten. Toen men in 1961 ‘een wasmand’ met negatieven van Breitner (1857-1923) had gevonden, daalde onmiddellijk zijn werk in aanzien. Een schilder die naar foto’s werkte was niet je ware. Wat er op die glasplaatjes te zien was, moet als mislukt zijn overgekomen. Bewegingonscherptes, fouten in sluitertijden en diafragma’s, of scheve horizonnen, het leek zo’n beetje wandelend gemaakt, alsof het schetsen waren. Geheugensteuntjes om gauw te vergeten, was toen de opinie.
Natuurlijk zal Breitner zelf ook raar hebben opgekeken dat dit werk z’n tijd ver vooruit was. Dat ligt ook aan andere ontwikkelingen, zoals de opkomst van de televisie. Een duur en precies medium. Of de wat statische beelden die er al van Amsterdam waren. Na alle humanistisch getinte fotografie van net na de oorlog, was men weer aan iets puurs en rauwers toe, leek het. Met Gary Winogrand die fotografeerde om te zien hoe de wereld er op foto’s uitziet en John Szarkovsky’s: “This is the essence of modern photographic seeing: to see not objects but their projected images”, werd ook de manier waarop het gefotografeerd is belangrijk. Bij Breitner is dat rauw, hij werkte alleen voor zichzelf. Zijn tijdgenoten zouden ook moeite met dit werk hebben gehad.
Doordat ik niet door de zoeker keek lijkt Domela Nieuwenhuis zo van zijn sokkel te vallen. Past wel bij de dynamiek van zijn denken en persoonlijkheid.
Een man en zijn fan
Ik kon dit niet laten liggen, het moest mee naar huis, vroeg om nader onderzoek. De foto had een lichte beschadiging, was door iemand van het glas losgetrokken. Een beroemde en beruchte man en een aanminnige vrouw poseren alsof ze iets met elkaar hebben. Het betere rode loper-werk.
De man kijkt wat afwezig, alsof het hem overkomt, hij er geen moeite voor gedaan heeft. Hij glimlacht beroepsmatig, het wordt van hem verwacht. Het gehaaide, jongensachtige in zijn trekken maakt hem aantrekkelijk, hij weet het. Daar wil je bij horen. Zij knijpt haar ogen tot spleetjes en trekt haar mondhoeken naar achter om een rij prachtige tanden te laten zien. Ze knikt met haar hoofd iets naar links, om er zeker van te zijn dat hij haar niet afschermt. En tegelijk uitstraalt: ”is het geen schatje?” Maar “het is niet wat je denkt”, of het “hèbbes” zit er ook in.
En rokkenjager en zijn willoze prooi? Eerder omgekeerd, zonder haar was deze foto er nooit geweest. Ze zijn niet per ongeluk tegen elkaar opgebotst, zij nam het initiatief. Dat ze de dertiende in een dozijn was die dag, is hier niet aan af te zien.
Essentieel is hier het gebruik van de flits. Je kijkt naar iets dat zich anders in het donker had afgespeeld. Het suggereert het aan het licht brengen van een intiem moment, alsof de fotograaf ze betrapte. Ze is even gelukkig, dat is op een foto voor eeuwig.
Niet voor lang. Het ontluisterende einde van deze foto, hier in Amsterdam in een schoenendoos ergens onder een tafel in een enorme uitdragerij, geeft me het gevoel dat hij dit afdrukje nooit heeft gezien. Misschien wilde zij er later niets meer van weten. Zag ze het als een bevlieging van dat moment, un coup de foudre.
De foto, met het plakglas, is later opnieuw in een wat groter lijstje gedaan. Achterop staat nu in viltstift: “Ngawang, age 22 - India” (Tibet).
Piraatjes
Dit moet toch het meest eigenaardige spelletje uit m’n jeugd zijn geweest. Alleen voor jongens. Half doormidden gescheurde sigarettendoosjes die als kaarten werden gebruikt. Je kon ze op straat vinden en meteen gebruiken.
Het kon zomaar opduiken, niemand wist wanneer het seizoen begon. Opeens waren er twee jongens mee bezig en dan was het begonnen. Je moest een flinke stapel van dit soort halve sigarettenhulzen bezitten om mee te kunnen doen. Je legde zo’n kartonnetje op een tegel en je tegenstander legde daar snel zijn kaartje bovenop. De stapel in je hand was zo gekeerd dat je niet wist welke kaart bovenop lag, als die opeens overeenkwam met die van de ander, was de hele stapel voor jou.
Het aantal soorten sigarettenmerken met kartonnen schuifhulzen was beperkt en dat hield het spel overzichtelijk. Van deze vier afgebeelde merken was ‘Senior Service’ het onbekendst. Mijn vader rookte ‘Capstan’ sigaretten, waardoor ik altijd wat voordeel had. Toch jammer om ze ook weer kwijt te raken.
Het waren eigenlijk alleen maar Engelse hulzen die gebruikt werden, Lucky Strike, Camel of Pall Mall waren verpakt in papieren wikkels. Ze kwamen van ver weg en hadden niet zulke betoverende namen als ‘Golden Fiction’ of ‘Miss Blanche’. In de beschrijvingen van dit spel op het Internet (“Playeren” bijv.) kom ik de variant die in Alkmaar gespeeld werd niet tegen. Bij ons was het merk ‘Pirate’ het meest populiar, het was de joker, als je daar een helft van op de stapel legde mocht je óók alles hebben. Zelf verzonnen?
Zou het spel net na de oorlog zijn ontstaan? De goedkoopte van de ‘kaarten’ door dat doormidden knippen of scheuren, het zuinige hergebruik en die eigenschap dat het alleen Engelse doosjes waren, doen daar allemaal aan denken.
Het ‘Pirate Cigarettes’ hulsje op de foto, werd ontdekt tijdens een verbouwing in Den Bosch. Alsof je een muur weghaalt.
Lezen is vurrukkulluk
Remco Campert was overleden, ik vroeg me meteen af hoe ik me daarbij voelde. Bij andere schrijvers nooit gehad. Een grotere band? Niet alleen omdat hij ooit een foto van me in een competitie uitkoos, maar ook omdat ik de laatste maanden veel van zijn columns heb gelezen. Hoe schreef hij ze?
Wat zouden ze bij zijn uitgever De Bezige Bij doen? Toen ik de bocht van de van Miereveldstraat omging, leek de halve straat gevuld met vlag. De grootste die ik ooit zag, hing halfstok en krulde zich in een mild briesje. Een vriendelijke dame kwam het gebouw uitlopen om er ook wat opnames van te maken. Ze vertelde dat hij in 1945 gebruikt was om de bevrijding te vieren, het begin van de uitgeverij. Na 77 jaar zag ik er pas drie stoplappen in zitten.
De eerste keer dat ik een foto van Remco Campert zag, was op het achterblad van het boek van Johan van der Keuken uit 1955: “Achter Glas”. In diepdruk, het mooiste fotoboek over verliefdheid. Campert schreef er o.a. deze tekst voor:
“Buitenshuis wachten de straten op de warme druk van je voetstappen, de zwarte agenten op hun trage, steile fietsen maken plannen voor volgend voorjaar als ze je zien, de trams weigeren te rijden zolang je niet op straat bent, de winkels wachten op je lachende gezicht, de stad hangt zijn vlaggen uit en vrolijkheid wappert langs de gevels. Waar je je vertoont, komt de stad onverhoeds tot leven en dat is een vleiende gedachte, maar je hebt nauwelijks de tijd om er bij stil te staan. Thuis, in een van jou ontdane kamer, rinkelt de telefoon als een bezetene, maar je bent er niet. Waar je dan wel bent? O, dat kan overal zijn. Wanneer je thuis komt? Nu of straks, niemand kan het zeggen.”
Ik moest verder, het leek wel Campertdag; goedgevulde terrassen, een jongen kuste zijn moeder en de boeksorteerders bij de Locatie en Rataplan hadden zijn boeken een prominente plek gegeven. Op de Buyskade lag een vrouw in de zon op een bankje te lezen.