Onder, boven, opzij, beneden en omhoog
Buiten de gewaagde constructie om zo een gevel overeind te houden, vond ik de vlakverdeling lekker compact. Gestructureerde chaos. Dat je daarbij ook nog het stadium van het bouwproces kan zien, maakt het bijzonder. Het blauwe plastic rechtsboven bewijst dat er nog geen ramen zijn geplaatst.
Toen ik op het dak van de Stadsschouwburg stond, wilde ik eigenlijk alle onderdelen van deze constructies plat achterover laten vallen. Alles leek te hoog en te imposant in deze nauwe doorgang van de Marnixstraat, die ook nergens te zien was.
Eigenlijk liepen er maar twee diagonalen door het beeld: de loden dakranden van de Stadsschouwburg, en de lijnen van de gevelrij die overeind werd gehouden door die staalconstructie. Gelukkig werd dat haaks doorbroken door een vlak met de namen van de verschillende bedrijven die bij deze verbouwing betrokken waren. En in het midden van deze draaikolk van steen en staal, een steigerdoek waarop te zien was hoe het er allemaal uit zou gaan zien.
Keith Haring, 20/03/1986
Een ontluisterend moment. Een assistent/galeriehouder komt de zaal van het Stedelijk binnen waar we Keith Haring interviewen. Hij legt enorme vellen vol tekeningen op de grond en haalt Haring uit ons gesprek. Blijkbaar kan het authoriseren/signeren niet wachten; er moet meteen geld verdiend worden nu het nog kan.
Toen ik zijn “Keith Haring Journals” (Penquin Classics 2010) zag, was ik meteen benieuwd of zijn bezoek aan Amsterdam er ook in voorkwam. Hoe hij dat zelf had ervaren. Zijn notities zijn meestal opgeschreven als hij moet wachten. Op ‘n vliegveld bijvoorbeeld, of aansluitend vervoer. Er is bijna geen bladzijde waar het woord “transport’ niet op te vinden is. Daardoor ontstaat de sfeer van jachtigheid en de verdenking niet goed weten waar je mee bezig bent; je wordt gewoon geleefd.
Over zijn verblijf in Amsterdam in 1986, is in dit boek niets te vinden. Alleen als er een overzicht van dat jaar wordt opgemaakt, staan onder “Solo Exhibitions” en “Special Projects”, het maken van een ‘Outdoor mural’ en een ’Children’s drawing workshop’ vermeld. En onder “Books & Catalogues” de uitgave van “Keith Haring: Paintings, Drawings and a Vellum”(Jeffrey Deitch, Stedelijk Museum).
Wel noteert hij op 7 juli in Montreux: “It has been such a long time since I last tried to write down anything about what has happened (is happening) in my life. It has been moving so quickly that the only record is airplane tickets and articles in magazines from the various trips and exhibitions. Someday I suppose these will constitute my biography.”
Natte Nikon
Wat zou ik tien jaar geleden zo rond begin mei gefotografeerd hebben? Deze foto is gemaakt eind maart 2016. Ik was een nieuwe Nikon D-200 aan het uitproberen. Gekocht in Rotterdam van een man die ‘m te zwaar vond voor mee op vakantie.
Voor mij was dat juist een voordeel, ik heb graag iets stevigs in handen. Het moet tegen een stootje kunnen. Dit was m’n tweede digitale camera, een nieuw werkpaard. Aan het kijken op een scherm was ik wel gewend. Je kon meteen zien wat je had gemaakt. Geen filmtransport meer of ontwikkelen en contactjes maken. Aan de linkerkant is hier nog net een stukje van het opdraaiwiel van m’n analoge Leica te zien. Een nadeel van digitale camera’s is dat je ze niet kunt openen. Alleen de lens losdraaien vind ik niet voldoende, ik wil ook weten hoe het er van binnen uitziet. Je moet zo’n verkoper dan maar vertrouwen.
Maar toen ik dit op m’n scherm zag schrok ik toch even, al zag het er wel spannend uit. Zou een toestel dat in water had gelegen zo’n beeld laten zien? Alle elektronische circuits naar de vaantjes en ik kon dat niet controleren. De eerste reflex was het hele toestel dan maar af te schrijven. Daarna herinnerde ik me dat tussen de eerste opnames ook foto’s zaten van regendruppels op m’n raam.
Teder
Met mijn camera kan ik ook foto’s maken zonder door de zoeker te kijken. Ik hoef me alleen maar bezig te houden met het richten van m’n lens, en de keuze tussen groothoek of tele. Belichting en scherpstelling bij dit licht berekent ie zelf.
Levert het ook een ander soort fotografie op? Bij mij gaat het om iets dat ik zie, me dan afvraag of het fotografisch iets oplevert, en als dat zo is, er een foto van te maken. Door de snelheid waarmee ik nu kan werken worden het steeds vluchtiger onderwerpen. Dat ze digitaal zijn en dus zonder een volledig analoog proces kunnen worden opgeslagen maakt het nog luchtiger. Je kunt nu veel schieten omdat je ook makkelijker kan weggooien. Het mag ook over bijna niks gaan.
Ik zit in de metro, naast een man en een vrouw, terwijl ze praten valt me op dat de vrouw hem voortdurend aanhaalt op een nauwelijks opvallende manier. Intimiteit in een openbare ruimte, iets persoonlijks dat bijna voor niemand zichtbaar is; altijd goed.
Ik voel me een voyeur, schend ik hun privacy niet? Maar door een licht telestand houd ik hun gezichten buiten beeld, het gaat me om dat detail, dat ik meer vermoed dan kan zien. Een vluchtige impressie van iets menselijks. Het gaat niet meer over deze twee mensen, maar over iets liefdevol aanraken.
En ik word beloond met iets prachtigs. Dat zo’n klein gebaar zoveel kan suggereren. Ik kan het tipje van m’n eigen middelvinger bijna op de huid achter dat oor voelen. Omdat zij naast hem zit kan ze niet zien wat ze doet. Zij kent dit plekje; haar hand vindt het blindelings.