Learnin' the Blues
Waarom koester ik dit wrak? Omdat niemand anders dat doet? Of Sinatra niet kapot te krijgen is? Je tegelijk op én in een hoes kan kijken? Het vierkant en de cirkel?
Beschadigingen zijn aantrekkelijk. Er is geleefd. Een platenhoes is een smaakmaker, een industrieel product. Beschadigingen horen daar niet bij. Blijft de inhoud meer dan zestig jaar overeind, dan doet die glamour er niet meer toe. Maar het blijft interessant om te zien hoe men toen dacht over het verpakken van dromen.
Deze hoes van ontwerper Nicolas Volpe werd bekroond op de allereerste ‘Grammy Award for best Recording Package’ in 1958. Sinatra’s “Come Fly with Me”, uit datzelfde jaar, deed ook mee. Alsof ze deze ceremonie voor hem hadden uitgevonden.
Sinatra als clown. In het duister, weg van de spotlights. Geen Domme August of Pierrot, maar een Amerikaanse versie. Volpe gebruikt wel de klassieke make up zoals de streep over de ogen en de rode dopneus. Ruiten staan voor harlekijnkleding of het circus.
Hoezen die somberheid uitstralen zijn er nauwelijks. En, typisch Sinatra, er zit een venijnig, satanisch addertje onder het gras. Je ziet dat in het weerhaakje bij zijn linkeroor. Zo’n helmkapsel doet denken aan The Joker uit Batman of de make up van Gene Simmons van de hardrockband KISS.
Ik zie er ook zelfmedelijden in. Na de scheiding van Ava Gardner was Sinatra een gedeelte van zichzelf kwijt. Dan kijk je naar buiten. Er zit veel melancholie in titels als “Willow Weep for Me”, “Guess I’ll hang my tears out to dry” of “Gone with the Wind”.
De scheuren doen de rest.
Les van Lucebert
Een belangrijke les in het werken met mensen, kreeg ik van Lucebert.
In 1986 mocht ik hem fotograferen voor een coverartikel en had voor de zekerheid een plan achter de hand. Buiten zijn “Alles van waarde is weerloos”, kende ik maar 1 regel uit één van zijn gedichten waarin hij zich verwonderde over de grote, norse neger in zichzelf. Ik luisterde toen veel naar “TUTU” van Miles Davis. Op de cover stond een prachtportret van Irving Penn. Ik zag ‘m al onder z’n vest zitten.
De sessie verliep zo spontaan dat ik, eenmaal thuis, me Miles pas herinnerde. Even terugbellen? De gedachtes ‘nu of nooit’ en ‘het ijzer smeden’, kregen de overhand. Gelukkig was hij nog thuis. Toen ik hem mijn dilemma uitlegde was hij onverbiddelijk: “Meneer, u heeft uw kans gehad!”
Dat was even slikken. Het viel me tegen dat iemand die toch vrij intuïtief te werk ging, zo’n zakelijke houding aannam. Me niet realiserend dat mijn eigen poging helemaal niets intuïtiefs had, door achteraf nog aan te komen met zo’n flinterdun idee. Voor hem was het alleen maar een zakelijke overeenkomst en publiciteit.
Je moet de mens van de kunstenaar scheiden. Hoe aangenaam de omgang met de laatste ook is verlopen.
Misschien had het allemaal lang genoeg geduurd of vond hij het maar een prut idee. Eigenlijk heeft hij me behoed voor een voor de hand liggende foto die nooit iemand zou begrijpen en niets aan de fantasie zou overlaten.
Fietstochtje
In de Paradijsappelstraat in Amsterdam Noord staat ergens onopvallend in een vensterbank een lichtbakje met een korte mededeling:
HUP LIEVE BUREN ❤
Een oproep tot actie en volhouden. Drie woorden, twee sterretjes en een warm hartje. Kort en krachtig. Groot in al z’n bescheidenheid.
Verderop bij metrostation Noorderpark zie ik in een abri de zoveelste reclame van de firma Suit Supply. Iemand kon het kennelijk niet laten hierop te reageren.
Het gebruik van openbare ruimte om mijn mening te beïnvloeden is een groot goed. Het eigenhandig veranderen van reclameboodschappen dwingt tot verder nadenken. Had ik maar niet moeten kijken.
Wat komt eerst, de tekst of de afbeelding? Bij mij altijd eerst het plaatje. Hier Jort Kelder als agitator. Of toch niet, zijn gebaren zijn te simpel. Z’n blik ergens ver weg. De achtergrond te dominant. De witte baan te groot. En dan die knuistjes; eerder een verwend kind dat z’n zin niet krijgt. Uitgelopen duivenpoep becommentarieert deze allegorie.
Iemand heeft de naam van de adverteerder afgeplakt en Jort krijgt iets zinnigers te doen. Even dacht ik dat hij een mondkapje om ging doen. Wel wat wijd.
Het blijkt een boxersbroekje. Een verwijzing naar zijn herenonderbroekenlijn? Door het vervormen van sommige hartjes in het patroon lijkt de stof te plooien. De wapperende frisse was op de achtergrond geeft aan dat het orakel de was staat op te hangen. Nuttige taak als je de hele dag thuis zit.
Back to business? Terug in je wasmand, dat is de boodschap.
Bovary / Astrid / Brakman / Bovary
Gustave Flaubert: Madame Bovary, Paris / Bibliothèque Charpentier 1922.
Tussen pagina 312 en 313 vind ik een bladwijzer. Uit de “Série: Reine Astrid – 24 sujets différents” van Côte d’Or. Dit is nummer 6. “La Reine Astrid avec la Princesse Joséphine Charlotte et le Prince Baudoin à Stuyvenberg en 1932”. Een ingekleurde zwart/wit foto.
Astrid, de ‘Sneeuwprinses’, de eerste vrouw van Koning Albert, kwam uit Zweden. Een van de eerste vorstinnen met glamour. Ze staat in mijn top tien van mooiste rouwzegels. Verongelukt op haar 29e, doordat Albert z’n stuur niet onder controle kreeg. Het echte verdriet van België in 1935.
De schrijver Willem Brakman was toen 13. Net oud genoeg om iets voor onbereikbare vrouwen te voelen. Filmsterren of actrices; bij chocolade kon je plaatjes van ze krijgen. In de film ‘Der Blaue Engel’ uit 1930, blazen een paar schooljongens over een prentbriefkaart. De vastgeplakte vogelveertjes bedekken de benen van Marlene Dietrich.
Brakman: “De grote liefde uit mijn jeugd was de witste der witte vrouwen, koningin Astrid. Ik kon van haar beeltenis niet scheiden en trok met ‘Het Leven’ (weekblad) door de wereld, van voor- naar achterkamer en naar de w.c. achtervolgd door mijn moeder die onraad rook, nonde ku.
‘Jongen,’ zei ze, ‘wat zie je bleek, wat is er?’
‘Niets,’ zei ik.
‘Spreek de waarheid,’ zei mijn moeder.
‘Goed,’ zei ik, achter die deur daar vernietigde ik mijn zaad tegen de glimmende bladen van ‘Het Leven.’
‘Jezus,’ riep mijn moeder, ‘je hebt nog een heel leven voor je.’
Ze wist altijd precies wat me dwars zat.”