Madame Feu & Mr Cool
Een vrouw hangt tegen een kleed. Ik voel de pijn van haar gespannen nek, er kan nog net een glimlach af. Als je naar haar vingers kijkt, valt op hoe gekunsteld ze haar handen in elkaar heeft gevlochten. Is ze verlegen of heeft de fotograaf dit op z’n geweten? Ze is klein, haar voeten raken de grond niet.
Edith Piaf bij Irving Penn in 1948. Die periode wordt in Engeland en Amerika omschreven met ‘austere’. Volgens het woordenboek: “Straf, Streng, Stuurs, Sober en Wrang”. Penn maakte toen in z'n studio portretten op twee manieren. Je werd in een nauwe hoek gewrongen of kwam terecht op een wat vaal stuk vloerbedekking waar de draden en pluizen nog omheen lagen. Een karig soort apenrots. Alsof ze uit de klei getrokken wordt; ‘Et Dieu créa la Femme’. Naoorlogse eenvoud en benauwenis.
Piaf trad voor het eerst alleen op in New York en was meteen een sensatie, zoveel drama, pathos en theatraliteit waren de Amerikanen niet gewend. Ze stond stokstijf in een zwart jurkje in een enkel spotlight, en bewoog alleen haar handen. De ingehouden expressie kwam van haar gezicht. Haar accent is soms deftig en dan weer gepassioneerd, ze slurpt taal naar binnen en spuugt haar weer uit. Ze maakt even een hulpeloze indruk en is dan weer een furieuze volksvrouw.
Al dit geweld bezoekt de meest koele Voguefotograaf in zijn studio op 80 West 40th Street. Hij legt haar neer als een kostbaar kleinnood, op fluweel lijkt het. Een koningin die haar mantel heeft laten vallen. Normaal houdt hij z’n camera recht naar voren, dit moet een van de weinige keren zijn dat we op z’n model neerkijken. De volle lengte, om te laten zien hoe klein ze eigenlijk is. En hoe groots.
Knijpers
Ik kijk even naar buiten, hangen ze er nog? Ja, maar zou ik die blauwe toch maar niet verder naast die witte hangen? Nee, die rode houdt in deze positie juist alle aandacht gecentreerd. Die heeft ook de meest uitgesproken vorm en wijkt af van de Hollandse knijper. Hoe kan je zo’n oervorm nog verbeteren?
De blauwe is de meest traditionele, hout werd kunststof. Ooit gekocht in Polen, plomp en degelijk. De witte knijper is daar een variatie op; uitgehold om beter grip te hebben of plastic uit te sparen. Toch is dit de zwaarste van de drie (8 gram) en de rode het lichtst (5 gram). Dat kan ook komen door de metalen veer. Blauw en rood hebben zinkachtige veren, bij wit is dat echt metaal. Daarom die roest.
De foto is eigenlijk gemaakt voor het licht; net voordat er een stevig onweer losbarstte. Het betoverende van het oplichten van onderwerpen tegen een donkere hemel, werkt dramatisch. Ik denk aan Rembrandt’s ‘Landschap met stenen brug’ (uit 1638). Hoe hij een gedeelte van een landschap door een spotlicht van boven belangrijk laat zijn.En tegelijkertijd duisternis open laat, alle details blijven zichtbaar.
Bij mijn knijpers heb ik overdreven door te flitsen. Door de enorme afstand tussen voor- en achtergrond, kaatst niks terug. Je ziet daar geen flitsschaduwen, alleen op de knijpers zelf. Dit licht is eigenlijk te fel voor dit weer en deze omgeving, en geeft drama.
Voorwerpen zonder schaduwen hebben geen dimensie en lijken zich te ontrekken aan aardse wetten. Ze hebben geen heden of verleden. En toch zijn ze er, echt.