Fashion in Kyoto 2
Een portretfoto van Nobuyoishi Araki tussen de plooien van Issey Miyake’s “Pleats Please, Guest Artist Series No. 2: Nobuyoishi Araki”. Araki is herkenbaar door de twee uitstaande toefjes haar op zijn schedel.
De gedachte aan Araki, zijn erotische fotografie en het omplooien van een vrouwentorso moet voor Miyake onweerstaanbaar zijn geweest.
Fashion in Kyoto 1
Gevonden, in de straatboekenkast op de Planciusstraat, een Taschen bijbel (736 pag.) uit 2002, over “Fashion, The Collection of the Kyoto Costume Institute”.
Het boek is een catalogus, heeft 500 foto’s en begint met: “Corset c.1580 – 1600 French”. De laatste foto komt uit 1999: “A - POC QUEEN” van Issey Miyake. Er werkten acht fotografen aan dit boek, allemaal Japanners natuurlijk. Echte lichtkunstenaars.
Links: “Anonymus Hat 1900’s”, rechts Vivienne Westwood’s, “Jacket, Bodice, Short Pants, Pants and Garters Autumn/Winter 1997”. Veel aandacht voor details als stoffen, borduursels, lingerie en andere accessoires.
Alles is te zien op paspoppen, voor iedere periode aangepast. Ook de drapering van de kleding heeft die perfectie met bijpassend licht, waardoor de stofuitdrukking optimaal is. Je kunt meteen zien hoe de kraag van Vivienne Westwood’s jasje om je nek zou aanvoelen; gladjes, open, opstandig en vorstelijk. Het koude zachte licht is hier ideaal voor de plooien, maar is gericht op de voorkant van haar creatie, de zijstukken moeten in de schaduw blijven en toch niet dichtlopen.
Die variatie in lichtspreiding zag ik voor het eerst bij Irving Penn in zijn eerste boek over Issey Myake uit 1988. Oorspronkelijk kwam deze techniek uit de filmsterrenfotografie van de dertiger jaren (George Hurrell!), maar nu met modernere spots en wat grilliger. Op de ‘onaffe’ kleding van Miyake versterken schaduwen de monumentaliteit van zijn ontwerpen. Ook in Penn’s portretten uit die tijd zit die theatrale verlichting.
Bij zo’n negentiende eeuwse hoed met die imposante struisvogelveer laten ze het licht van boven prachtig verlopen, waardoor de wolligheid geaccentueerd word. De slagschaduw die daardoor ontstaat versterkt de silhouetvorming van het hoofd en laat tegelijk de verfijnde details op de jurk net genoeg uitkomen. Had ik dit maar mogen maken.
Wat een perfectie, ik krijg er geen genoeg van.
In de bosjes
De vorige blog deed meteen denken aan de serie "Kōen" van Kohei Yoshiyuki uit 1979. Met een infrarode film en een speciale filter op z’n flitser maakte hij ‘s nachts foto’s van vrijende paartjes in het Shinjuku en Yoyogipark. Weer zo’n gluurder.
Maar hier zie je wel wat, al is het nog zo miniem. De duisternis, de flits, de korreligheid en de houdingen geven je meteen het gevoel dat je naar iets verbodens kijkt. Om dat te versterken heeft Kohei er soms ook toeschouwers bij betrokken. Mannen in wit oplichtende kostuums in het struweel die naar iets in de bosjes staren. Net als wij.
David Hemmings raakte verstrikt in een steeds groter raadsel, bij Kohei lijken we wat dichter bij de waarheid te komen, maar in feite zijn het nog maar snippers. Voor beiden is de plek, het park, erg belangrijk. In het bos kan van alles, aan het strand of langs een autoweg had andere associaties opgeleverd. Van het scheppingsverhaal tot allerlei sprookjes en crimi’s, in het bos gebeurt het.
Het ongemak in het kijken naar iets dat anderen het liefst verborgen willen houden, is iets waarbij iedere kijker zelf een beslissing moet nemen. Omdat ik nergens gezichten zie en het dus nooit persoonlijk wordt, maakt dat ik me voorhou naar normaal menselijk gedrag te kijken ook al had dat misschien in wat comfortabele omstandigheden gekund dan in de bosjes.
Blow Up
Eindelijk een boek* gevonden dat het mysterie van de film ‘Blow Up’ van Antonioni uit 1966, wat duidelijker maakt. Niet helemaal, maar het is een begin. Op pagina 114 bestudeert een fotograaf, Thomas (David Hemmings), een abstract schilderij, op de pagina ernaast bekijkt hij een grofkorrelige afdruk.
Door deze twee foto’s naast elkaar te zetten komt de verbeelding van iets ongrijpbaars wat dichterbij. Er is een verband gelegd tussen een gespetterde abstracte voorstelling en een realistische afdruk van iets. De film gaat over het obsessief najagen van een idee. En het bekijken ervan in detail of in totaal. En er dan nog niet uitkomen. Je bent dan wel in staat om iets vast te leggen, maar hoe meer je inzoomt, hoe minder je iets herkent.
Omdat hij meent iets gefotografeerd te hebben dat bijna niet te zien is, of er eigenlijk nooit was, gaat Thomas steeds verder in het uitvergroten van een bepaald negatief. Hoe groter hij die afdrukken maakt hoe korreliger ze worden, en hoe minder hij kan zien wat het voorstelt. Een metafoor voor het intact houden van raadsels, niet alles verdraagt de waarheid, niet alles is oplosbaar. Er moet iets geheim blijven.
Aan het einde van de film loopt deze ongelovige Thomas langs een tennisbaan waar een paar mimespelers een imaginair potje tennis spelen. Iemand slaat een onzichtbare bal buiten de lijnen, hij pakt ‘m op en gooit ‘m terug.
*Michelangelo Antonioni, een compleet overzicht van al zijn films, Seymour Chatman & Paul Duncan, Steidl 2004.