Vier meisjes, vijf bellen
Dankzij Messi weer eens even met de neus op de feiten gedrukt dat genialiteit er vaak zo eenvoudig uitziet. Dat je in zo’n stadium eigenlijk niet meer kan spreken van geluk, maar dat jij het geluk kan laten doen wat essentieel voor je is.
Ik heb altijd een zekere wrevel bij het bekijken van het werk van Vivian Maier. Dat komt door het met veel bombarie aangekondigde debuut in 2008, dat meer met de ontdekking te doen had, dan dat het iets toevoegde aan Amerikaanse straatfotografie uit de vijftiger jaren. Een enorme opkikker voor de galeriewereld en fotoboekenuitgevers. Je komt te vaak namen tegen van verzamelaars die veel werk van haar in bezit hebben.
Al haar foto’s hebben een kil karakter. Veel meer dan het laten zien dat ze iets raars zag, komt ze niet. Meer verwondering dan ermee begaan zijn. Ze liep er langs en keek er naar. Misschien waren Robert Frank of Diana Arbus toen nog onbekend in Chicago.
Helen Levitt heeft ook jarenlang over straat gelopen. Als je dan iets tegenkomt ben je niet met alles direct tevreden. Daarvoor heb je al genoeg gezien. Vaak zijn haar vondsten eenvoudig, maar hebben een diepere laag waardoor ze universeel zijn. Bij Doisneau zie ik hetzelfde. Het lijkt altijd of iedereen dit had kunnen maken. Voor mij zijn die zeepbellen nooit stuk gegaan. Een sprookjeswereld en de realiteit. Geen verschil tussen zwart en blank, en een kinderlijke verbazing over die vluchtigheid. Alsof het even andere planeten zijn.
Voor haar eerste boek ‘A Way of Seeing’ schreef James Agee in het voorwoord: “In their general quality and coherence [Levitt’s] photographs seem to me to combine a unified view of the world, an uninsistent but irrefutable manifesto of a way of seeing, and, in a gentle and unpretentious way, a major poetic work.” Ozo.
Het Verlangen
Het wezenlijke van een trompe-l’oeil is het gezichtsbedrog. De aanname van het oog dat wat we zien reëel is, en de hersenen die dat ontkennen. Ik wil dat deze mannen zich verbazen over dit uitzicht. Dat geen uitzicht is, maar net doet alsof.
Voor mij is die linkerduim essentieel. Die suggereert net voldoende, verbazing. Een plotselinge confrontatie met een andere wereld. Een verrassing om de hoek. Inzicht bij een uitzicht. De man naast hem kijkt er ook naar. Het meisje ziet een derde man die net naar binnen is gestapt.
Alles is zomers. Als er in de etalage een winterlandschap hing zou het over tegenstellingen gaan. Dit is meer in overeenstemming. Korte mouwen, een zonneschermpje over de huif van de kinderwagen, een roze broek en het zonlicht met schaduwen; zo doe je boodschappen in augustus.
Het begint te wringen als je naar die foto in die etalage kijkt. Het gevoel dat je zo een Mediterraans terras op kunt stappen met uitzicht op een blauwe zee, wordt teniet gedaan door een donker vlak dat er als een soort guillotinemes boven hangt.
De harde afscheiding laat een andere wereld zien. Duisternis en onverklaarbare voorwerpen maken dat je snel terug bent in de realiteit. Een elektrabuis waaruit draden in een sierlijke krul naar beneden hangen; hier wordt verbouwd. Dit is een overgangsfase. En is dat een kast of een weerspiegeling van een huis zoals de Chirico ze schilderde, met die grote ramen en lange schaduwen?
Je kijkt naar mensen die zich verbazen over iets dat betoverend is. Maar hoe meer details je ziet hoe gewoner het wordt. Misschien een illusie, maar ik verlang weer naar de zomer.
Wilco Johnson 1947 - 2022
Manisch. Zo herinner ik me hem. Staccato akkoorden. Voortdurend van achteren naar voren komen en dan weer terug. De expressie van een bezetene tussen lichtflitsen in. Een nog net bedwongen zwarte panter achter onzichtbare tralies.
Toevallig (?) heb ik nu net een cd met boogie-woogiemuziek op staan. Het zit ‘m in die linkerhand. “A left hand like God”, zoals het boek van Peter J. Sylvester over die muziek heet. Vergelijk het met het gebonk van bassen en drums waardoor een gitarist de ruimte krijgt om er uit los te komen of er zich weer naadloos tussen kan voegen. Op en neer, van voren naar achteren en weer opnieuw. Keith Richards doet niet anders.
De band heette Dr. Feelgood. Vier man in de basisbezetting: drummer, basgitarist, sologitarist en zanger. The Who en Led Zeppelin deden het net zo. Geen jongens, meer kroegtijgers. Dit was ‘pub-rock’ op z’n best. Tussen Pink Floyd en Sex Pistols in. Eindelijk weer vaste grond onder je voeten. Kantoormannen on speed. Dit jasje moet een voorbeeld zijn geweest voor de vroege Elvis Costello. En Johnson’s “eye popping, thousand - yard stare” heeft model gestaan voor Johnny Rotten’s houding, hangend aan de microfoon: ”We mean it, man!”
Ik had drie LP’s van ze. Op de eerste “Down By The Jetty”, poseerden ze bij een riviermonding met olietankers en kranen als achtergrond. No nonsense, geen verbeelding. Gewoon hard werken. Johnson wilde de techniek van de gitarist van Johnny Kidd verder uitbouwen. Dat was Mick Green. Hoe je tegelijk riffs and solo’s kan spelen. Green zat bij Johnny Kidd & The Pirates tussen 1962 en 1964. Hun repertoire was steviger en minder melodieus dan dat van The Shadows in die tijd. In Nederland onbekend gebleven.
De locatie was de Koepelkerk aan de Singel. Goede akoestiek maar niet voor korte chops, Johnson moest een hoop werk doen die avond. Maar dat ging goed samen met die maniakale act.