Hallo?
Soms roepen teksten in beeld verkeerde associaties op. Door films weten we dat je een tekst die je hoort of leest, van iemand komt die centraal in beeld staat en z’n mond beweegt. Zo zou hier dan een zwart gekleurd tablet een welkomswoord, een begroeting of vraag hebben laten horen. Ik stel me er een metalen stemgeluid met echo bij voor. Een foto maakt geen geluid, dus de toon kan vriendelijk, neutraal of uitnodigend zijn. Het woord ‘Hallo’ in vragende vorm kan ook negatief overkomen. Je gebruikt het als iemand niet goed genoeg naar je luistert of als je het niet gelooft wat die ander zegt. Een open mond, wenkbrauwen omhoog en een hand achter je oor versterken dat.
Dit is de meest oorspronkelijke telefoontaal. Toen Stanley in 1871 na veel ontberingen in de binnenlanden van Afrika eindelijk Dr. Livingstone ontmoette, kwam z’n typisch Engelse begroeting niet veel verder dan: ”Dr. Livingston, I presume?” Vijf jaar later vroeg Alexander Graham Bell patent aan voor de telefoon. Om de verbinding te bevestigen voor een beller, stelde Thomas Edison voor dat met het woord ‘Hullo’ te doen, en niet het ‘Ahoy’ waar Bell zelf mee kwam. ‘Ahoy’ klinkt iets langer en doet eerder denken aan grote afstanden, stemverheffing of mannen in streepjestruien. Behalve in Rotterdam natuurlijk.
Ik ben nog niet zo gewend aan de liggende houding van zo’n telefoon. Het gebaar doet altijd denken aan iemand iets aanbieden of laten zien. Goede omgangsvormen en begrip zorgen dan dat niemand zo’n telefoon dankbaar overneemt of er wat bewonderende woorden aan besteedt. Het: “En wat heb je nog meer gekregen op je verjaardag?” ligt dan op de loer.
Voor mij is dit beeld met deze tekst in ieder geval het meest minimale dat ik me voor kan stellen bij visuele communicatie. Hoe zouden we hier over tien jaar naar kijken? Ja, hállo!
Quai de Bourbon
In de film ‘En cas de malheur’ uit 1958 verdedigt advocaat Jean Gabin lichtekooi Brigitte Bardot in een rechtszaak, en valt voor haar. Ze verleidt hem in een paar, nog steeds, pikante scènes. Haar eigenlijke amant heeft daar moeite mee en zit Gabin op de hielen.
Hij is een ‘blouson noir’ en rijdt op een scooter. Hét vervoermiddel voor de arme intellectueel in die tijd. Daarom wilde Jan Cremer natuurlijk met een Harley op de cover van zijn onverbiddelijke eerste bestseller. In de film parkeert loverboy ‘m om de hoek van Gabin’s kantoor en loopt rondjes. Hij wil weten waar die man naar toe gaat. Op de muur staat: “Defense d’Afficher” in een lettertype dat ik herken. Die tekst, dat hoekje, Quai de Bourbon... . Opeens zie ik die foto van Johan van der Keuken: “Quatorze Juillet, Paris 1958” voor me.
In de film is te zien dat het geen straatje is, meer een muur met vier ramen. Doordat Van der Keuken alleen dat platte vlak laat zien doet het aan als een decor. Het geveldoek versterkt dat, net als de drie B-acteurs die toezien hoe de twee hoofdrolspelers op straat dansen. Ik bewonder de timing als je op de stand van hun voeten let. Om je niet teveel opgesloten te laten voelen heeft hij op links de doorgang naar de Pont Louis Philippe erbij betrokken.
Van der Keuken studeerde dat jaar in Parijs op de filmacademie en zal de film gezien hebben voordat hij zijn foto maakte. Wat een geluk dat daar toen verbouwd werd, de gebladderde muren je niet de kant van het rustieke op konden drijven zoals in de film, en de steigerconstructie voor een natuurlijke vlakverdeling zorgde.
Filmstill uit: ‘En cas de malheur’, regie Claude Autant-Lara 1958. Foto: Johan van der Keuken, Quatorze Juillet, Paris 1958.Thebe
Eerst ben je verbaasd, dan onder de indruk. Dit wil je delen met anderen. Leg je dan alleen de betovering vast, of mag je daar iets aan toevoegen?
Op het schilderij van Caspar David Friedrich “Der Wanderer über dem Nebelmehr” uit 1818, staat een wandelaar boven op een berg en kijkt neer op een wolkenzee. Het is geen bergbeklimmer, hij heeft een wandelstok bij zich. Je ziet alleen zijn rug, hij blijft een onbekende. Het zou iedereen kunnen zijn. Een mens net als wij, we hadden daar zelf kunnen staan.
Fotografen werden in het midden van de negentiende eeuw de wereld ingestuurd om ‘exotisch’ materiaal te vergaren en ontdekkingsreizigers maakten foto’s van hun vondsten. Altijd zo objectief mogelijk. Er mocht niets tussen de kijker en het onderwerp komen.
Toen de fotograaf H. Bechart in deze tempel in Thebe stond, gebruikte hij anonieme menselijke figuren om de grootte van dat gebouw te laten zien. Bijna een eeuw later doet de architectuurfotograaf Kidder Smith hetzelfde. Alleen staat bij hem zo’n ‘menselijke maat’ niet in de verte, maar vooraan. En krijgt een andere functie. Opeens worden houding, uitstraling en kleding belangrijk, welke tijd was dit? Een vrouw met broek op gympies? En waarom is ze alleen?
Ze is vanuit de schaduw in het volle licht gaan staan. En zoekt steun bij de overweldigende omvang van deze ruïne. Haar linkerarm steunt op haar bekken; ze neemt de rust om even bij te komen. Haar kleding is eerder modieus dan praktisch in een woestijn, zij woont hier niet. Als zij daar zo kan staan, dan kan ik het ook. Het toerisme is geboren.
Bij Bechart is de mens een onderdeel van het wonder, bij Kidder Smith gaat een mens het zelf ontdekken.