Uniqlo
Hoe langer ik hier naar kijk, hoe onmogelijker het wordt. Ik kan m’n positie niet bepalen. Wat is hier nog reëel? Wat is dichtbij en veraf? Kan het nog voller? Staan die twee jongens op links naast me? Zijn het tweelingbroers?
De foto is gemaakt in de winkel van de Japanse Uniqlo keten in de Kalverstraat. Maar op het Rokin kun je ook naar binnen. De inrichting vind ik altijd inspirerend, ik ken geen andere winkel waar zo nadrukkelijk gebruik is gemaakt van de hoogte. Alles lijkt hier hoog opgestapeld om toch maar zoveel mogelijk te laten zien. Je past er als publiek nog net tussen. Zo’n opgepakt gevoel verhoogt de saamhorigheid. Alsof iedereen hier op een koopje uit is. Alleen een foto met fragmenten van deze chaos doet daar recht aan.
Om die uitstalling een nog wijdsere indruk te geven staan en hangen er overal verticale spiegels. Daardoor ontstaat wel diepte, maar de leesbaarheid verdwijnt. Het prijsbordje net boven het midden is hier spiegelbeeldig, maar de mededeling op rechts is gewoon leesbaar. De helft van de rode blokjes die de maat aangeven van de jassen zijn wel weer in spiegelbeeld. Zou de zilveren streep in het midden de rand van een spiegel kunnen zijn? Dan is die jongen met die pet dus de enige echte, al lijkt zijn tweelingbroer met heel wat anders bezig. En is dat manchet onderaan ook een spiegeling van die eerste jas op het rek, of van een andere jas?
Wat een geluk dat ik naar paskamer ‘8’ kijk, het enige cijfer waar al die bespiegelingen er niet toe doen. Linksom of rechtsom, een acht blijft altijd hetzelfde.
Rattraper le temps perdu
Lastig om hier woorden voor te vinden. De spiegeling had me verleid. En die pijlachtige rails om de laaddeur open te schuiven, of dat ik nog net een randje achterlicht mee kon nemen. En de kleur, natuurlijk. Maar eigenlijk ging het over de vervormende weerspiegeling van die auto er tegenover. Alles had daardoor vaart.
Ik moest even wachten op een toefje zonneschijn dat in het achterlicht van die auto zou reflecteren. Toen dat ook nog een stukje van een velg oplichtte zat alles goed. Maar wat was nou de onderliggende aantrekkingskracht?
Die vervorming deed aan die fenomenale foto van Lartigue denken. De vaart die hij in een foto uit 1912 van een raceauto had gecreëerd, is me altijd bijgebleven. Hét toeval in optima forma, wat heel goed paste bij het daredevil gehalte van de berijders en hun machine in die tijd. Alles stond nog in de kinderschoenen, maar was niet meer te stuiten.
Om de auto scherp in beeld te houden bewoog Lartigue z’n toestel mee met de snelheid waarmee de wagen zou passeren, het zgn. ‘meetrekken’. Daardoor zijn de toeschouwers scheve silhouetten geworden. Maar het meest swingende is dat rechterachterwiel. Dat had net iets meer vaart dan het horizontaal oplopende sluitergordijn van zijn camera.
Bijna zoals een streep licht in een scanner met een bewegend onderwerp. Hier ontstond de streep doordat een eerste sluitergordijn naar boven optrekt, gevolgd door een tweede. Die snelheid waarin ze elkaar opvolgen, stel je in met je sluitertijd. Maar in die streep beweegt de cirkel van een autoband. Het bovenste deel zal dan verder vooruit lijken als het onderste deel tijdens het belichten, en er scheef uitzien. De mensen langs de kant van de weg en vooral die paal die zich dwars door de ‘cockpit’ lijkt te boren duwen het vehikel bijna helemaal het beeld uit.
Grand-Prix-ACF-Dieppe-photograph-Jacques-Henri-Lartigue-1912-Yale-University-Art-Gallery.webp